Ga naar de inhoud

Wij gebruiken alleen cookies die nodig zijn om de site te laten werken. Geen advertenties en geen tracking. Lees de cookieverklaring

Alle theorieonderwerpen

Les 3 van 9

Bijzondere wegen, weggebruikers en manoeuvres

Bij een bijzondere manoeuvre verander jij de normale verkeerssituatie. Daarom is de hoofdregel streng: laat al het overige verkeer voorgaan.

Ongeveer 8 minutenGecontroleerd met de geldende regels

Woorden die je eerst moet kennen

Met de juiste woorden herken je sneller wat een examenvraag bedoelt.

Bijzondere manoeuvre
Onder meer wegrijden, achteruitrijden, keren, invoegen, uitvoegen en van rijstrook wisselen.
Uitrit
Een herkenbare aansluiting, vaak met een doorlopend trottoir of verlaagde uitritconstructie.
Bestuurder
Iedere weggebruiker behalve een voetganger. Ook een fietser, ruiter en bromfietser is een bestuurder.

1. Bij een bijzondere manoeuvre wacht jij

De regel geldt tegenover alle andere weggebruikers, dus ook voetgangers.

  • Kijk rondom, geef zo nodig richting aan en begin pas als de hele manoeuvre veilig kan.
  • Uit een uitrit rijden is een bijzondere manoeuvre. Verkeer op de doorgaande weg gaat voor.
  • Wie tegelijk een bijzondere manoeuvre uitvoert, lost de situatie veilig en zonder hinder samen op.
Doe jij iets bijzonders? Dan laat jij al het overige verkeer voorgaan.

RVV artikelen 54 en 55

De auto kruist het doorlopende trottoir en fietspad. De fietser en voetganger gaan eerst.

1. Doorgaand verkeer2. Auto uit de uitritBekijk het diagram op volledig formaat
Achteruit een parkeervak inrijden is een bijzondere manoeuvre. Laat al het overige verkeer voorgaan en begin alleen wanneer de ruimte vrij is.

2. Erf, autoweg en autosnelweg

Het beginbord bepaalt welke bijzondere regels gelden. Het eindbord beëindigt die regels.

  • In een erf mogen voetgangers de weg over de volle breedte gebruiken. Bestuurders rijden maximaal 15 km/u en parkeren alleen op aangeduide parkeerplaatsen.
  • Een autoweg is alleen voor motorvoertuigen die ten minste 50 km/u kunnen en mogen rijden.
  • Een autosnelweg is alleen voor motorvoertuigen die ten minste 60 km/u kunnen en mogen rijden.
Herken eerst het beginbord. Dan weet je welke wegregels vanaf dat punt gelden.

RVV artikelen 42 tot en met 46

G1 en G2 beginnen en beëindigen een autosnelweg. G3 en G4 beginnen en beëindigen een autoweg. G5 en G6 beginnen en beëindigen een erf.

3. Veilig invoegen op de autosnelweg

Wie van de invoegstrook naar de doorgaande rijbaan gaat, voert een bijzondere manoeuvre uit. Verkeer op de doorgaande rijbaan heeft voorrang.

  • Gebruik de invoegstrook om snelheid op te bouwen en zoek vroeg een veilige ruimte. Controleer spiegels en dode hoek en geef op tijd richting aan.
  • Rijd pas over de blokmarkering wanneer de ruimte groot genoeg is. Dwing geen plaats af en laat niemand remmen of uitwijken.
  • Verkeer op de doorgaande rijbaan mag veilig ruimte maken, maar hoeft jou niet voor te laten gaan. De richtingaanwijzer geeft geen voorrang.
  • Een invoegstrook komt vanaf een oprit en ligt naast blokmarkering. Een vluchtstrook ligt buiten een doorgetrokken streep en is alleen voor nood, tenzij hij als spitsstrook is geopend.
Pas snelheid aan, kies een ruimte en voeg pas in wanneer dat zonder hinder kan.

RVV artikelen 54 en 55

De blokmarkering maakt dit een invoegstrook. De blauwe auto voegt pas in bij voldoende ruimte; verkeer op de doorgaande rijbaan heeft voorrang.

4. Herken bijzondere weggebruikers

Sommige groepen hebben een eigen plaats of bescherming. Kijk naar voertuig, bord en situatie.

  • Een militaire colonne of uitvaartstoet mag je niet doorsnijden als de herkenbare stoet al passeert.
  • Bestuurders van gehandicaptenvoertuigen volgen afhankelijk van hun plaats de regels voor voetgangers of bestuurders.
  • Ruiters, fietsers en bestuurders van bromfietsen zijn bestuurders. Een voetganger is dat niet.
Bepaal eerst: is dit een bestuurder, een voetganger, een uitvaartstoet of een militaire colonne?

RVV artikelen 2, 16 en 29 tot en met 31

5. Voertuig, motorrijtuig en motorvoertuig

Deze woorden lijken op elkaar, maar een vraag kan precies op het verschil testen.

  • In het RVV zijn fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens voertuigen. Een trein valt daar niet onder.
  • Een motorrijtuig wordt mechanisch voortbewogen. Een motorvoertuig is een smallere RVV-groep met wettelijke uitzonderingen.
  • Een voetganger is geen bestuurder. Fietsers, bromfietsers, ruiters en bestuurders van motorvoertuigen zijn dat wel.
Bepaal eerst tot welke groep de persoon en het voertuig behoren.
De eerste zes vallen in het RVV onder voertuigen. Een trein valt niet onder deze definitie.

6. Fiets, e-bike, snorfiets en bromfiets

Kijk naar ondersteuning, constructiesnelheid, kenteken en de aangewezen plaats op de weg.

  • Een gewone e-bike ondersteunt alleen tijdens het trappen, tot 25 km/u en met maximaal 250 watt. Daarvoor gelden de fietsregels.
  • Een fatbike is juridisch een e-bike als hij aan dezelfde eisen voldoet. Een gashendel mag zonder trappen alleen ondersteunen tot 6 km/u.
  • Een snorfiets heeft maximaal 25 km/u als constructiesnelheid en een blauwe plaat. Een bromfiets gaat tot 45 km/u en heeft meestal een gele plaat.
  • Een speedpedelec geldt als bromfiets. Voldoet een fatbike niet aan de e-bike-eisen, dan is goedkeuring in een andere voertuigcategorie nodig; zonder geldige goedkeuring mag hij niet op de openbare weg.
  • Voor snorfiets, bromfiets en speedpedelec is een goedgekeurde helm verplicht.
Een e-bike is niet hetzelfde als een snorfiets. Kijk naar hoe de motor ondersteunt.
Het uiterlijk bepaalt de wettelijke categorie niet. Controleer trapondersteuning, vermogen, snelheid, gashendel, kenteken en goedkeuring.

7. Zones, tunnels en overwegen

Een beginbord start een pakket regels. Het eindbord stopt dat pakket.

  • Een zone geldt tot het bijbehorende einde. Een onderbord kan de werking beperken tot een tijd, afstand of voertuiggroep.
  • Ga een tunnel alleen in als je hem kunt verlaten. Volg er richting, markeringen en borden; beperkt zicht maakt keren of achteruitrijden meestal gevaarlijk of verboden.
  • Ga een overweg pas op als je hem zonder stoppen volledig kunt verlaten. Rood licht en dalende bomen betekenen stoppen.
Kijk bij een bijzonder gebied altijd naar begin, einde en onderbord.
H1 en H2 markeren begin en einde van de bebouwde kom. L13 geeft een verkeerstunnel aan. J12 waarschuwt voor één spoor en J13 voor twee of meer sporen.

8. Keren en de U-bocht: wanneer mag het?

Keren is een bijzondere manoeuvre. Op een gewone weg bestaat geen algemeen keerverbod, maar de hele route en situatie moeten het toelaten.

  • Ga er niet vanuit dat keren verboden is alleen omdat je bij een kruispunt, op een voorrangsweg of binnen de bebouwde kom rijdt. Die omstandigheden zijn op zichzelf geen keerverbod. Zoek naar een verbod, verplichte richting of markering en controleer daarna zicht en ruimte.
  • Keer niet bij bord F7, tegen een verplichte rijrichting of eenrichtingsweg in, over een doorgetrokken streep of over een fysieke scheiding. Volg ook de pijlen van jouw rijstrook en verkeerslicht.
  • Op een autoweg en autosnelweg zijn keren en achteruitrijden altijd verboden. Gebruik nooit de vluchtstrook, berm of middenberm om terug te rijden.
  • Tijdens de hele U-bocht laat je al het overige verkeer voorgaan, ook bij groen licht. Dat geldt ook voor fietsers, voetgangers en trams. Richting aangeven verandert dat niet.
  • Moet je bij een smalle weg achteruitsteken, dan is iedere voor- en achterwaartse beweging opnieuw een bijzondere manoeuvre. Stop zodra je iemand hindert of gevaar kan ontstaan.
Keren mag alleen als geen teken of markering het verbiedt, je alles kunt overzien, genoeg ruimte hebt en niemand hindert.

RVV artikelen 43, 54, 55, 62, 68, 76 en 78; WVW artikel 5

Wanneer keren wel en niet magGroen toont de enige toegestane voorbeeldroute. Rood toont het keerverbod bij F7, het verbod om de doorgetrokken streep te kruisen en het algemene keerverbod op autoweg G3 en autosnelweg G1.

9. Classificeer eerst de weggebruiker

De juiste categorie bepaalt welke plaats, voorrang en gedragsregel geldt.

  • Voetgangers zijn geen bestuurders. Wie een fiets, bromfiets of motorfiets aan de hand meevoert, volgt de regels voor voetgangers.
  • Onder voertuigen vallen in het RVV onder meer fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Een trein valt niet onder deze RVV-definitie.
  • Een bestuurder van een gehandicaptenvoertuig op trottoir of voetpad volgt de regels voor voetgangers. Op fietspad of rijbaan gelden de bestuurdersregels.
  • Een ruiter en de bestuurder van een bespannen of onbespannen wagen zijn bestuurders. Herken dus eerst de persoon, het voertuig en de plaats op de weg.
Eerst categorie en plaats, daarna pas de verkeersregel.

RVV artikelen 1 en 2

Wat je vlak voor het examen onthoudt

Kun je deze regels zonder hulp uitleggen, dan heb je de kern van dit onderwerp vast.

  • Bij iedere bijzondere manoeuvre laat je al het overige verkeer voorgaan.
  • Uit een uitrit komen is een bijzondere manoeuvre.
  • In een erf rijd je maximaal 15 km/u en parkeer je alleen op aangeduide parkeerplaatsen.
  • Invoegen en uitvoegen geven je geen voorrang.
  • Gebruik vluchtstrook, vluchthaven of berm alleen bij nood.
  • Keren is een bijzondere manoeuvre. Keer alleen waar geen bord, richting, markering of weginrichting het verbiedt en waar niemand wordt gehinderd.
  • Wie een fiets aan de hand meevoert, volgt de voetgangersregels.
  • Een gehandicaptenvoertuig kan afhankelijk van zijn plaats de voetgangersregels of bestuurdersregels volgen.

Controleer jezelf

Denk eerst zelf na. Open daarna het antwoord.

1Je rijdt uit een uitrit over een doorlopend fietspad. Wie gaat eerst?Bekijk het antwoord
De fietser en ieder ander verkeer op de doorgaande weg. Uit een uitrit rijden is een bijzondere manoeuvre.
2Geeft richting aangeven bij het invoegen je voorrang?Bekijk het antwoord
Nee. Je laat zien wat je wilt doen, maar verkeer op de doorgaande rijbaan gaat voor.
3Waar mag je in een erf parkeren?Bekijk het antwoord
Alleen op plaatsen die als parkeerplaats zijn aangeduid of gemarkeerd.
4Mag je op een autosnelweg keren of achteruitrijden?Bekijk het antwoord
Nee. Keren en achteruitrijden zijn op een autoweg en autosnelweg altijd verboden.
5Iemand loopt met een fiets aan de hand. Is die persoon op dat moment een bestuurder?Bekijk het antwoord
Nee. Die persoon volgt de regels voor voetgangers.

Officiële bronnen

Deze samenvatting gebruikt de officiële CBR onderwerpen, het RVV 1990, de Wegenverkeerswet en de Regeling voertuigen.

Actueel

Oefen dit meteen in het gratis proefexamen

Je hebt de regels gelezen. Kijk nu of je ze herkent in vragen zoals op het examen. Het proefexamen is gratis en je hebt geen account nodig.

Start het gratis proefexamen

Kies het volgende onderwerp

Ga terug naar het overzicht en lees verder. De negen lessen helpen je de theorie te herhalen.

Terug naar het overzicht