Ga naar de inhoud

Wij gebruiken alleen cookies die nodig zijn om de site te laten werken. Geen advertenties en geen tracking. Lees de cookieverklaring

Alle theorieonderwerpen

Les 4 van 9

Veilig rijden en noodsituaties

Veilig rijden begint vóór het gevaar. Houd ruimte, blijf zichtbaar en weet wat je doet als er toch iets misgaat.

Ongeveer 8 minutenGecontroleerd met de geldende regels

Woorden die je eerst moet kennen

Met de juiste woorden herken je sneller wat een examenvraag bedoelt.

Reactieafstand
De afstand die je aflegt tussen het zien van gevaar en het beginnen met remmen.
Stopafstand
Reactieafstand plus remweg. Hogere snelheid en gladheid maken deze afstand veel langer.
Remweg
De afstand vanaf het begin van remmen tot het volledig stilstaan.
Volgafstand
De ruimte tot het voertuig vóór je. Twee seconden is een praktische ondergrens bij goede omstandigheden, geen vaste wettelijke afstand.

1. Maak ruimte voor fouten

Afstand geeft je tijd om te kijken, beslissen en remmen.

  • Gebruik bij goed weer minimaal ongeveer twee seconden volgafstand en vergroot die bij regen, gladheid of slecht zicht.
  • Verdubbelt je snelheid, dan wordt je remweg veel meer dan twee keer zo lang.
  • Blijf uit dode hoeken en zorg dat anderen jou kunnen zien.
Meer snelheid, minder zicht of minder grip betekent meer afstand.

RVV artikelen 5 en 19

Kies een vast punt. De voorste auto passeert het punt, de achterste auto pas minstens twee seconden later.

Bekijk het diagram op volledig formaat

2. Verlichting en signalen

Gebruik licht om te zien en gezien te worden, zonder anderen te verblinden.

  • Dimlicht is verplicht bij nacht en overdag wanneer het zicht ernstig wordt belemmerd.
  • Groot licht mag niet bij dag, bij tegemoetkomend verkeer of wanneer je vlak achter een ander rijdt.
  • Mistlichten gebruik je alleen bij de wettelijk bedoelde slechte zichtomstandigheden.
Kies het licht dat zicht geeft zonder iemand anders te hinderen.

RVV artikelen 32 tot en met 35

Herken het symbool vóór je het licht gebruikt. Dimlicht is groen, groot licht blauw, mistlicht voor groen en mistlicht achter geel of oranje. Gebruik elk licht alleen in de omstandigheden die de regel toestaat.

3. Gordels, kinderen en lading in de auto

Iedere inzittende moet beschermd zijn en losse voorwerpen mogen geen gevaar worden.

  • Iedereen gebruikt de beschikbare autogordel. Eén gordel is voor één persoon.
  • Kinderen kleiner dan 1,35 meter zitten in een goedgekeurd, passend kinderzitje.
  • Een achterwaarts gericht kinderzitje mag voorin alleen als de voorairbag is uitgeschakeld.
Controleer vóór vertrek gordels, kinderzitje, hoofdsteunen en losse bagage.

RVV artikelen 57 en 59

De gordel loopt over de schouder en heup. Stel de stoel en hoofdsteun af voordat je vertrekt.

4. Pech, ongeval en voorrangsvoertuig

Bescherm eerst mensen. Regel daarna verkeer, hulp en schade.

  • Bij pech zet je alarmlichten aan, plaats je het voertuig zo veilig mogelijk en verlaat je de rijbaan als dat kan.
  • Bel 112 bij direct gevaar of letsel. Verleen hulp zonder jezelf in gevaar te brengen.
  • Geef een voorrangsvoertuig met blauw zwaailicht en sirene ruimte, maar maak geen gevaarlijke manoeuvre.
Eerst veiligheid, dan hulp, dan gegevens en schade.

RVV artikelen 29, 30, 50 en 58; WVW artikel 7

Zet de auto volledig op de vluchtstrook, waarschuw het verkeer en wacht waar mogelijk achter de vangrail.

5. Kies het juiste licht

Licht is bedoeld om te zien en gezien te worden, zonder anderen te verblinden.

  • Dimlicht gebruik je in het donker en overdag bij ernstig beperkt zicht. Stadslicht alleen is geen rijlicht.
  • Groot licht mag niet overdag, bij tegemoetkomend verkeer of wanneer je een ander voertuig op korte afstand volgt.
  • Dagrijlicht maakt de voorkant overdag zichtbaar, maar bij sommige auto’s branden de achterlichten dan niet. Schakel bij slecht zicht dimlicht in.
  • Mistvoorlicht mag bij ernstig beperkt zicht door mist, sneeuw of regen. Mistachterlicht alleen bij minder dan 50 meter zicht door mist of sneeuw, nooit bij zware regen.
  • Achterlichten en kentekenplaatverlichting branden samen met groot licht, dimlicht, stadslicht of mistlicht.
  • Sta je buiten de bebouwde kom in het donker of bij slecht zicht op de rijbaan, of langs een autoweg of autosnelweg op een parkeerstrook, vluchthaven of vluchtstrook, gebruik dan stadslicht en achterlicht.
Achterste mistlicht is niet voor zware regen.

RVV artikelen 32 tot en met 40

Dimlicht maakt de auto zichtbaar en verlicht de weg zonder het tegemoetkomende verkeer onnodig te verblinden.

6. Regen, gladheid en aquaplaning

Grip kan verdwijnen voordat de wettelijke maximumsnelheid verandert.

  • Verlaag vroeg je snelheid, vergroot de volgafstand en stuur en rem rustig.
  • Bij aquaplaning laat je het gaspedaal rustig los, houd je het stuur stabiel en vermijd je hard remmen.
  • Bruggen, schaduwplekken en wegmarkeringen kunnen eerder glad worden dan de rest van de weg.
Minder grip vraagt om minder snelheid en meer afstand.

7. Pech en waarschuwen

In Nederland is geen vaste uitrustingslijst verplicht in iedere auto, maar je moet gevaar wel duidelijk voorkomen.

  • Zet waarschuwingslichten aan en breng mensen zo snel mogelijk naar een veilige plaats.
  • Als waarschuwingslichten niet worden gebruikt en de auto een obstakel vormt, plaats je een gevarendriehoek op ongeveer 30 meter.
  • Op de autosnelweg wacht je waar mogelijk achter de vangrail en bel je hulp vanaf een veilige plek.
Mensen veilig, verkeer waarschuwen, daarna hulp regelen.

8. Ken de vier soorten afstand

Houd reactieafstand, remweg, stopafstand en volgafstand uit elkaar.

  • Reactieafstand is wat je aflegt voordat je begint te remmen. Snelheid, aandacht, vermoeidheid, alcohol en verwachting beïnvloeden deze afstand.
  • Remweg begint zodra je remt. Snelheid, banden, remmen, wegdek, weer en belading bepalen hoe lang hij wordt.
  • Stopafstand is reactieafstand plus remweg. Je moet kunnen stoppen binnen de afstand die je kunt overzien en die vrij is.
  • Volgafstand geeft reactietijd. Gebruik bij goede omstandigheden ongeveer twee seconden en vergroot die bij regen, gladheid, slecht zicht of zware belading.
Eerst reageren, dan remmen: samen vormen ze de stopafstand.

RVV artikel 19

De vier soorten afstandReactieafstand komt vóór het remmen. Reactieafstand en remweg vormen samen de stopafstand. Volgafstand is de ruimte tot je voorligger.

9. Kinderzitje en airbag

Het zitje moet passen bij het kind, goedgekeurd zijn en volgens de handleidingen van zitje en auto zijn bevestigd.

  • Een kind kleiner dan 1,35 meter gebruikt voorin of achterin een goedgekeurd en geschikt kinderzitje.
  • Een baby wordt bij voorkeur zo lang mogelijk tegen de rijrichting in vervoerd. Dat mag op de achterbank zoals op de afbeelding.
  • Een achterwaarts gericht zitje mag voorin alleen wanneer de airbag van die zitplaats is uitgeschakeld.
  • Controleer ISOFIX of autogordel, steunpoot of top tether en de kindergordel volgens de handleiding. Combineer geen methoden die de fabrikant niet voorschrijft.
Achterwaarts voorin betekent altijd: airbag uit.

RVV artikel 59

Een achterwaarts zitje mag op de achterbank. Gebruik voorin zo’n zitje alleen wanneer de airbag van die zitplaats is uitgeschakeld.

10. Als de auto in het water raakt

Wacht niet tot de auto volloopt. Handel direct en laat spullen achter.

  • Maak de gordel los en open onmiddellijk een zijruit. Werkt de ruit niet, sla dan met een bereikbare veiligheidshamer in een hoek van een niet-gelaagde zijruit of achterruit.
  • Weet vooraf welke ruiten gelaagd zijn. Een veiligheidshamer breekt gelaagd glas niet; de achterruit is dan vaak de bruikbare uitweg.
  • Verlaat de auto door het geopende raam. Probeer niet eerst deuren te openen tegen de waterdruk en wacht niet tot de auto zinkt.
  • Bel 112 zodra je veilig uit het water bent en help anderen alleen zonder jezelf opnieuw in gevaar te brengen.
Gordel los, zijruit open of breken, eruit.
Wacht niet tot de auto volloopt. Maak de gordel los, open onmiddellijk een ruit en verlaat de auto via de opening.

Wat je vlak voor het examen onthoudt

Kun je deze regels zonder hulp uitleggen, dan heb je de kern van dit onderwerp vast.

  • Houd minimaal ongeveer twee seconden afstand bij goede omstandigheden.
  • Pas afstand en snelheid aan bij regen, donkerte, gladheid en drukte.
  • Gebruik verlichting zonder anderen te verblinden.
  • Iedere inzittende gebruikt de juiste gordel of kinderbeveiliging.
  • Bij nood bescherm je eerst mensen en waarschuw je het verkeer.
  • Stopafstand is reactieafstand plus remweg.
  • Een achterwaarts kinderzitje mag achterin; voorin moet de airbag uit.
  • Bij water handel je direct: gordel los, zijruit open of breken, eruit.

Controleer jezelf

Denk eerst zelf na. Open daarna het antwoord.

1Het begint hard te regenen. Blijft twee seconden altijd genoeg?Bekijk het antwoord
Nee. Slecht zicht en minder grip vragen om een grotere volgafstand en lagere snelheid.
2Mag een baby in een achterwaarts gericht zitje voor een actieve airbag?Bekijk het antwoord
Nee. De airbag moet op die zitplaats uitgeschakeld zijn.
3Wat doe je als eerste na pech op de snelweg?Bekijk het antwoord
Breng jezelf en anderen in veiligheid, waarschuw het verkeer en ga als dat kan achter de vangrail.
4Mag een achterwaarts kinderzitje op de achterbank?Bekijk het antwoord
Ja. Het zitje moet goedgekeurd, passend en volgens de handleidingen bevestigd zijn.
5Waaruit bestaat de stopafstand?Bekijk het antwoord
Uit de reactieafstand en de remweg samen.

Officiële bronnen

Deze samenvatting gebruikt de officiële CBR onderwerpen, het RVV 1990, de Wegenverkeerswet en de Regeling voertuigen.

Actueel

Oefen dit meteen in het gratis proefexamen

Je hebt de regels gelezen. Kijk nu of je ze herkent in vragen zoals op het examen. Het proefexamen is gratis en je hebt geen account nodig.

Start het gratis proefexamen

Kies het volgende onderwerp

Ga terug naar het overzicht en lees verder. De negen lessen helpen je de theorie te herhalen.

Terug naar het overzicht