Woorden die je eerst moet kennen
Met de juiste woorden herken je sneller wat een examenvraag bedoelt.
- Rijbaan
- Het weggedeelte voor rijdende voertuigen. Een rijbaan kan meerdere rijstroken hebben.
- Rijstrook
- Een door strepen gemarkeerd deel van de rijbaan dat breed genoeg is voor motorvoertuigen.
- Bebouwde kom
- Het gebied tussen bord H1 en bord H2. Binnen en buiten de bebouwde kom gelden verschillende algemene snelheden.
1. Houd zoveel mogelijk rechts
Bestuurders gebruiken de rijbaan en houden rechts. Kijk wel altijd welk weggedeelte voor jouw voertuig bestemd is.
- Fietsers en snorfietsers gebruiken het verplichte fietspad. Ontbreekt dat, dan rijden zij op de rijbaan.
- Een vluchtstrook en vluchthaven zijn alleen voor nood, tenzij tekens de strook voor verkeer openen.
- Je mag van rechts afwijken om veilig in te halen, voor te sorteren of een obstakel te passeren.
RVV artikelen 3, 4, 5 en 43
De auto rijdt rechts op de rijbaan. Het rode fietspad en de groene berm horen niet bij de rijstrook van de auto.
2. De limiet is niet altijd een veilige snelheid
Een bord geeft het maximum. Jij moet langzamer rijden als zicht, weer, drukte of wegdek dat nodig maken.
- Zonder afwijkend bord geldt voor een auto meestal 50 km/u binnen en 80 km/u buiten de bebouwde kom.
- Op de autosnelweg bepaalt het bord de limiet. Overdag is dat meestal 100 km/u, maar op aangegeven trajecten kan 130 gelden.
- Je moet kunnen stoppen binnen de afstand die je kunt overzien en die vrij is.
RVV artikelen 19 tot en met 22a
3. Rijstroken, voorsorteren en inhalen
Kijk ruim op tijd, controleer spiegels en dode hoek en geef richting voordat je van plaats verandert.
- Inhalen gebeurt in principe links. Ga na het inhalen terug naar rechts zodra dat veilig kan.
- Een doorgetrokken middenstreep aan jouw kant mag je niet overschrijden. Gele tijdelijke lijnen gaan voor witte lijnen.
- Voorsorteerstroken en pijlen gebruik je in de richting die zij aangeven.
RVV artikelen 11, 17, 54 en 78
4. Stoppen, stilstaan en parkeren zijn niet hetzelfde
De reden waarom je niet rijdt bepaalt welke regel geldt.
- Wachten voor rood licht of voorrang is verkeersnoodzaak en is geen parkeren.
- Kort iemand laten in- of uitstappen of direct laden en lossen is stilstaan.
- Parkeren is ieder ander vrijwillig stilstaan. Parkeer niet waar je zicht, doorgang of veiligheid belemmert.
RVV artikelen 23 en 24
5. Herken ieder deel van de weg
Een examenvraag gebruikt vaak één precies woord. Kijk daarom eerst op welk deel iemand rijdt of staat.
- De weg omvat de rijbaan, fietspaden, trottoirs, bermen en andere delen die voor verkeer openstaan.
- Een rijbaan is voor rijdende voertuigen. Een rijstrook is een gemarkeerd deel van die rijbaan.
- Een fietsstrook heeft een fietssymbool. Een gekleurde strook zonder dat symbool is geen officiële fietsstrook.
6. Afstand, voorbijgaan en inhalen
Houd genoeg afstand om te kunnen reageren. Voorbijgaan is langs een stilstaand object rijden. Inhalen is langs een weggebruiker rijden die in dezelfde richting beweegt.
- Houd in goede omstandigheden ongeveer twee seconden afstand en vergroot die bij regen, gladheid of slecht zicht.
- Inhalen is langs verkeer gaan dat dezelfde richting rijdt. Voorbijgaan is langs een stilstaand object of obstakel gaan.
- Haal alleen in wanneer je voldoende zicht, vrije ruimte en snelheid hebt en niemand hindert.
- Rechts inhalen mag bij een links voorgesorteerde linksafslaander, rechts van blokmarkering, bij een tram en in fileverkeer. Fietsers mogen andere bestuurders rechts inhalen.
- Haal vlak voor of op een zebrapad nooit een voertuig in.
RVV artikelen 11 tot en met 13
7. Waar stoppen en parkeren verboden zijn
Kijk niet alleen naar een bord. Sommige plaatsen zijn door de gewone regel al verboden.
- Stilstaan is verboden op een kruispunt of overweg, op een fietsstrook of de rijbaan ernaast, in een tunnel en op een zebrapad of binnen vijf meter daarvan.
- Bij een bushalte stop je niet langs de blokmarkering of, zonder blokmarkering, binnen twaalf meter van het bord. Onmiddellijk laten in- of uitstappen mag daar wel.
- Stilstaan is ook verboden op de rijbaan naast een busstrook en langs een gele doorgetrokken streep.
- Parkeren is verboden binnen vijf meter van een kruispunt, voor een inrit of uitrit en buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg.
- Parkeer niet langs een gele onderbroken streep, op een laadplaats, zonder vereiste vergunning, dubbel naast een voertuig of in strijd met bord, onderbord of parkeervak.
RVV artikelen 23 en 24
8. Herken de belangrijkste wegsoorten op beeld
Een foto helpt je de wegstructuur herkennen. Het verkeersbord en een geldige snelheidsaanduiding blijven altijd beslissend.
- Maak eerst onderscheid tussen autosnelweg, autoweg, overige weg buiten de bebouwde kom en weg binnen de bebouwde kom.
- Lees daarna bord, zone, tijd en wegmarkering. Eén kenmerk op zichzelf bepaalt niet altijd de snelheid.
- Vergelijk vooral een 80-weg zonder groene middenstrook met een 100-weg die vaak wel groen tussen dubbele middenlijnen heeft.
- Een Zone 30 heeft nog aparte trottoirs. In een erf is de ruimte gedeeld en mogen voetgangers de volle breedte gebruiken.
RVV artikelen 20, 21 en 42 tot en met 46
9. De maximumsnelheden in één overzicht
Lees eerst het bord en de tijd. Gebruik de algemene limiet alleen wanneer geen lagere of andere geldige limiet geldt.
- Voor een personenauto geldt zonder ander bord 50 km/u binnen de bebouwde kom, 80 km/u buiten de bebouwde kom en 100 km/u op een autoweg.
- Op een autosnelweg bepalen de borden de limiet. Van 06.00 tot 19.00 uur geldt op bijna alle trajecten 100 km/u; sommige trajecten tonen 80 of 130. Van 19.00 tot 06.00 uur kan het bord 100, 120 of 130 tonen.
- Met een aanhangwagen met een toegestane maximummassa tot en met 3.500 kg geldt maximaal 90 km/u. Bij een zwaardere aanhangwagen geldt maximaal 80 km/u.
- Voor een vrachtauto, gewone autobus of zware kampeerauto geldt maximaal 80 km/u. Een als T100 geregistreerde autobus mag maximaal 100 km/u.
- Een bromfiets rijdt maximaal 30 km/u op het fiets/bromfietspad binnen de bebouwde kom, 40 km/u op dat pad buiten de bebouwde kom en 45 km/u op de rijbaan. Een snorfiets rijdt maximaal 25 km/u.
RVV artikelen 19 tot en met 22a
Wat je vlak voor het examen onthoudt
Kun je deze regels zonder hulp uitleggen, dan heb je de kern van dit onderwerp vast.
- Houd rechts en gebruik het weggedeelte dat voor jouw voertuig bestemd is.
- Volg borden en pas je snelheid aan de werkelijke situatie aan.
- Haal normaal links in en controleer vóór iedere zijdelingse verplaatsing.
- Een doorgetrokken lijn aan jouw kant overschrijd je niet.
- Bepaal bij een stilstaande auto eerst waarom die stilstaat.
- Herken de wegsoort, maar laat het geldige bord en de tijd altijd beslissen.
- Lees bij autosnelwegsnelheden altijd het bord en de geldende tijd.
- Een lichte aanhangwagen rijdt maximaal 90 km/u en een zware maximaal 80 km/u.
Controleer jezelf
Denk eerst zelf na. Open daarna het antwoord.
1Mag je 50 km/u blijven rijden bij dichte mist binnen de bebouwde kom?Bekijk het antwoord
2Aan jouw kant staat een doorgetrokken middenstreep. Mag je die voor het inhalen overschrijden?Bekijk het antwoord
3Je rijdt rechts van blokmarkering. Mag je een bestuurder links van die markering rechts inhalen?Bekijk het antwoord
4Je stopt kort om een passagier direct te laten uitstappen. Is dat parkeren?Bekijk het antwoord
5Je ziet dubbele witte middenlijnen zonder groen, maar een geldig bord toont 60. Welke snelheid geldt?Bekijk het antwoord
6Op het autosnelwegbord staat overdag 100. Mag je toch 130 rijden omdat 130 de algemene autosnelweglimiet is?Bekijk het antwoord
Officiële bronnen
Deze samenvatting gebruikt de officiële CBR onderwerpen, het RVV 1990, de Wegenverkeerswet en de Regeling voertuigen.
Actueel
Oefen dit meteen in het gratis proefexamen
Je hebt de regels gelezen. Kijk nu of je ze herkent in vragen zoals op het examen. Het proefexamen is gratis en je hebt geen account nodig.
Start het gratis proefexamenKies het volgende onderwerp
Ga terug naar het overzicht en lees verder. De negen lessen helpen je de theorie te herhalen.
Terug naar het overzicht