Naslagwerk
Begrippen die je in de theorie moet kennen
Leer het Nederlandse woord. De korte betekenis helpt je het sneller in een vraag of verkeerssituatie te herkennen.
108 begrippenDelen van de weg
- Weg
- De hele voor het verkeer openstaande weg, inclusief paden, bermen en bijbehorende delen.
- Rijbaan
- Het deel van de weg dat voor rijdende voertuigen is bedoeld.
- Rijstrook
- Een gemarkeerd deel van de rijbaan dat breed genoeg is voor motorvoertuigen.
- Berm
- De strook naast de rijbaan die niet bij de rijbaan hoort.
- Trottoir
- Het verhoogde of afgescheiden weggedeelte voor voetgangers.
- Fietsstrook
- Een strook met een fietssymbool, begrensd door een doorgetrokken of onderbroken streep.
- Suggestiestrook
- Een gekleurde kantstrook zonder fietssymbool. Het is geen officiële fietsstrook.
- Fietspad
- Een afgescheiden pad voor fietsers, aangegeven met een verkeersbord.
- Fiets/bromfietspad
- Een verplicht pad voor fietsers, bromfietsers en andere aangewezen gebruikers.
- Vluchtstrook
- De strook naast een auto(snel)weg, alleen voor nood of wanneer tekens hem openen.
- Vluchthaven
- Een plaats langs de weg waar je alleen bij nood stopt.
- Invoegstrook
- De strook waarmee verkeer snelheid maakt en invoegt.
- Uitvoegstrook
- De strook waarmee verkeer de doorgaande rijbaan verlaat.
- Spitsstrook
- Een extra rijstrook die alleen open is wanneer de tekens dat aangeven.
- Kruispunt
- Een kruising of splitsing van wegen.
- Rotonde
- Een kruispunt met verplicht rondgaand verkeer. Borden en haaientanden regelen de voorrang.
- Uitrit
- Een herkenbare inrit of uitrit, vaak met een doorlopend trottoir, fietspad of verlaagde uitritconstructie.
- Overweg
- Een kruising tussen een weg en een spoorweg.
- Bebouwde kom
- Het gebied dat begint bij bord H1 en eindigt bij bord H2. Binnen en buiten gelden verschillende algemene regels en snelheden.
Weggebruikers en voertuigen
- Weggebruiker
- Iedereen die van de weg gebruikmaakt.
- Bestuurder
- Iedere weggebruiker behalve een voetganger.
- Voetganger
- Een weggebruiker die loopt of volgens de regels als voetganger geldt.
- Voertuig
- Onder het RVV vallen fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens onder voertuigen. Een trein niet.
- Motorrijtuig
- Een voertuig dat mechanisch wordt voortbewogen, behalve enkele wettelijk uitgezonderde voertuigen.
- Motorvoertuig
- Een gemotoriseerd voertuig volgens het RVV, maar geen bromfiets, fiets met trapondersteuning of gehandicaptenvoertuig.
- Snorfiets
- Een bromfiets met een constructiesnelheid van maximaal 25 km/u en een blauw kenteken.
- Bromfiets
- Een bromfiets met een constructiesnelheid tot 45 km/u en meestal een geel kenteken.
- Speedpedelec
- Een snelle elektrische fiets die wettelijk als bromfiets geldt.
- Brommobiel
- Een kleine bromfiets op meer dan twee wielen, met een maximumconstructiesnelheid van 45 km/u.
- Gehandicaptenvoertuig
- Een voertuig dat speciaal voor een gehandicapte is ingericht en niet breder is dan 1,10 meter.
Voorrang en handelingen
- Voorrang verlenen
- Een bestuurder laat een andere bestuurder ongehinderd zijn weg vervolgen.
- Voor laten gaan
- Een weggebruiker laat een ander eerst gaan. Dit kan ook over voetgangers gaan.
- Bijzondere manoeuvre
- Een handeling zoals wegrijden, achteruitrijden, keren, invoegen of van rijstrook wisselen.
- Afslaan
- Een weg naar links of rechts verlaten.
- Voorsorteren
- Voor een afslag tijdig de juiste plaats of rijstrook kiezen.
- Inhalen
- Een andere weggebruiker voorbijgaan die in dezelfde richting rijdt.
- Voorbijgaan
- Langs iets gaan dat niet als deelnemer in dezelfde rijrichting rijdt, zoals een obstakel.
- Stoppen
- Verplicht stoppen door het verkeer, bijvoorbeeld voor rood licht of om voorrang te geven.
- Stilstaan
- Vrijwillig stoppen voor direct in- of uitstappen of direct laden en lossen.
- Parkeren
- Het voertuig langer laten staan dan nodig is voor direct in- of uitstappen of laden en lossen.
Tekens en markeringen
- Haaientanden
- Witte driehoeken op de weg. Je verleent voorrang aan bestuurders op de kruisende weg.
- Doorgetrokken streep
- Een lijn die je niet overschrijdt als hij voor jouw rijrichting geldt.
- Onderbroken streep
- Een lijn die je mag overschrijden wanneer dat veilig en toegestaan is.
- Blokmarkering
- Korte brede witte blokken die onder meer een invoeg- of uitrijstrook van de doorgaande rijbaan scheiden.
- Verdrijvingsvlak
- Een gemarkeerd vlak waar bestuurders niet overheen rijden of op stoppen.
- Puntstuk
- Het spits toelopende gemarkeerde deel bij een splitsing. Je rijdt er niet overheen.
- Onderbord
- Een klein bord onder het hoofdverkeersbord dat de werking uitlegt of beperkt.
- Matrixbord
- Een elektronisch bord boven of naast de weg met een actuele regel of waarschuwing.
- Verkeersteken
- Een verkeersbord, verkeerslicht of verkeersteken op het wegdek. Een aanwijzing is een afzonderlijke categorie.
- Aanwijzing
- Een verplicht teken van een bevoegde persoon. Het gaat boven verkeerslichten, borden en regels.
Afstand en veiligheid
- Reactieafstand
- De afstand die je aflegt tussen het zien van gevaar en het beginnen met remmen.
- Remweg
- De afstand vanaf het begin van remmen tot volledige stilstand.
- Stopafstand
- Reactieafstand plus remweg.
- Volgafstand
- De ruimte tussen jouw voertuig en het voertuig voor je.
- Dode hoek
- Het gebied dat je niet rechtstreeks en niet goed in de spiegels ziet.
- Voorrangsvoertuig
- Een hulpverleningsvoertuig dat de voorgeschreven blauwe lichten en sirene gebruikt.
- Aquaplaning
- De banden verliezen contact met de weg door een waterlaag.
- Anticiperen
- Vooruitkijken, risico’s vroeg herkennen en op tijd snelheid of ruimte aanpassen.
Verlichting
- Dimlicht
- Normale koplampen voor donker en slecht zicht, zonder anderen te verblinden.
- Groot licht
- Sterk licht voor het donker, verboden wanneer je andere weggebruikers verblindt.
- Stadslicht
- Licht om een stilstaand voertuig zichtbaar te maken. Het is geen rijlicht.
- Mistvoorlicht
- Voorlicht dat mag bij ernstig beperkt zicht door mist, sneeuw of regen.
- Mistachterlicht
- Achterlicht dat alleen mag bij minder dan 50 meter zicht door mist of sneeuw.
- Dagrijlicht
- Licht dat de auto overdag beter zichtbaar maakt. Achterlichten branden niet altijd mee.
- Waarschuwingslichten
- Alle richtingaanwijzers knipperen samen om voor gevaar te waarschuwen.
Rijbewijs en documenten
- Rijbewijs B
- Rijbewijs voor een personenauto of lichte bedrijfsauto binnen de voorwaarden van categorie B.
- B+ code 96
- Uitbreiding waarmee de toegestane maximummassa van auto en aanhanger samen tot 4.250 kg mag zijn.
- Rijbewijs BE
- Rijbewijs voor een auto met een zwaardere aanhanger binnen de BE-voorwaarden.
- Beginnend bestuurder
- Een bestuurder in de wettelijke beginperiode na het eerste rijbewijs.
- Kentekenbewijs
- Het document met de geregistreerde voertuiggegevens.
- APK
- De periodieke technische keuring voor voertuigen waarvoor deze verplicht is.
- WA-verzekering
- De verplichte verzekering voor schade die je met een motorrijtuig aan anderen veroorzaakt.
- Promille
- Een duizendste deel. Het wordt gebruikt om alcohol in het bloed uit te drukken.
Voertuig en aanhanger
- Intelligente snelheidsassistentie (ISA)
- Helpt de bestuurder de herkende snelheidslimiet te volgen, bijvoorbeeld met een waarschuwing of weerstand in het gaspedaal. De werking verschilt per auto.
- Snelheidsbegrenzer
- Helpt voorkomen dat je een ingestelde snelheid overschrijdt. Geeft onder die grens niet zelf gas.
- Noodremassistentie
- Versterkt een noodremming die de bestuurder inzet. Dit verschilt van AEB, dat bij herkend gevaar zelf kan beginnen te remmen.
- Hellingwegrijhulp
- Houdt de rem kort vast bij het wegrijden op een helling, zodat de auto minder snel terugrolt.
- Auto Hold
- Kan na het stoppen de rem vasthouden, zodat je het rempedaal kunt loslaten. Controleer of de functie actief is en volg de handleiding.
- Tractiecontrole
- Beperkt het doorspinnen van aangedreven wielen bij gas geven, bijvoorbeeld door het motorvermogen te verlagen.
- Rijstrookverlatingswaarschuwing
- Waarschuwt bij onbedoeld verlaten van de rijstrook. Een waarschuwingsfunctie stuurt zelf niet.
- Rijstrookcentrering
- Ondersteunt het sturen om de auto nabij het midden van de rijstrook te houden. Blijf zelf opletten en sturen wanneer nodig.
- Dodehoekwaarschuwing
- Meldt verkeer dat het systeem in de dode hoek herkent. Geen melding bewijst niet dat de ruimte vrij is.
- Waarschuwing voor kruisend verkeer achter de auto
- Waarschuwt voor verkeer dat van opzij achter de auto nadert bij achteruitrijden. Geparkeerde voertuigen kunnen het zicht beperken.
- Parkeerassistent
- Ondersteunt een parkeermanoeuvre met sturen en soms ook met gas en rem. De bestuurder blijft de omgeving controleren.
- Botsingswaarschuwing
- Waarschuwt voor herkend botsingsgevaar. Een latere waarschuwingsinstelling laat minder tijd om te reageren.
- Aanhangerstabilisatie
- Kan slingeren van een aanhanger helpen beperken. Goede belading en aangepaste snelheid blijven nodig.
- Zijwindassistentie
- Kan met gerichte remingrepen helpen de koers te houden bij zijwind. De bestuurder blijft zelf sturen.
- Multibotsrem
- Kan na een botsing afremmen om de kans op een volgende botsing te verkleinen.
- Vermoeidheidswaarschuwing
- Kan tekenen van vermoeidheid herkennen, maar mist soms een vermoeide bestuurder. Neem pauze zodra je moe wordt.
- Aanhangermanoeuvreerassistent
- Ondersteunt het manoeuvreren met een aanhanger. Sommige systemen gebruiken een camerabeeld van de dissel om de hoek tussen auto en aanhanger te bepalen.
- Adaptieve cruisecontrol (ACC)
- Past de snelheid aan een herkende voorligger aan en ondersteunt de volgafstand.
- Automatisch noodremsysteem (AEB)
- Kan bij herkend botsingsgevaar automatisch remmen.
- Rijstrookassistent
- Kan helpen bij een onbedoelde afwijking van de rijstrook.
- Toegestane maximummassa
- Het lege gewicht plus het maximale laadvermogen volgens de registratie.
- Rijklaar
- Technisch veilig, correct beladen en klaar om zonder gevaar te rijden.
- Deelbare lading
- Lading die zonder schade in kleinere delen kan worden verdeeld.
- Ondeelbare lading
- Lading die voor vervoer niet zonder schade of grote moeite kan worden verdeeld.
- Laadvermogen
- Het maximale gewicht dat als lading mag worden meegenomen.
- Aslast
- Het gewicht dat via één as op de weg drukt.
- Aanhangwagen
- Een voertuig dat door een ander voertuig wordt voortbewogen.
- Losbreekreminrichting
- Een inrichting die de aanhanger remt als hij losraakt van het trekkende voertuig.
- ABS
- Het antiblokkeersysteem voorkomt dat de wielen bij hard remmen blokkeren, zodat de auto beter bestuurbaar blijft.
- ESC
- De elektronische stabiliteitsregeling remt zo nodig afzonderlijke wielen om een uitbrekende auto te helpen stabiliseren.
- Cruisecontrol
- Een systeem dat een ingestelde snelheid vasthoudt. De bestuurder blijft verantwoordelijk.
- Airbag
- Een luchtkussen dat bij een botsing aanvullende bescherming geeft.
- Rijhulpsysteem
- Een systeem dat een rijtaak ondersteunt, maar de verantwoordelijkheid niet van de bestuurder overneemt.
- Hoofdsteun
- Een verstelbare steun die hoofd en nek bij een botsing helpt beschermen.
- Gevarendriehoek
- Een driehoek die naderend verkeer waarschuwt voor een stilstaand obstakel.
